Hoe is het nu met… Arie Luyendijk

Vraag een groep van honderd Nederlandse autosportliefhebbers om hun top-drie van succesvolste vaderlandse coureurs van de 20e eeuw samen te stellen en Arie Luyendijk zal bij weinigen ontbreken. Net als Rinus van Kalmthout deze eeuw stapte hij midden jaren tachtig uit de harde Europese talentenstrijd om zijn geluk in Amerika te zoeken – al was daar in vergelijking met ‘VeeKay’ meer toeval mee gemoeid. De tweevoudig Indy 500-winnaar is nog steeds actief in de tak van sport die hem groot heeft gemaakt. In deze aflevering van ‘Hoe is het nu met…’ vertelt Luyendijk over zijn tweede carrière, maar we horen ook hoe hij er twee keer bijna mee was gestopt, nog voordat het Indy-geluk hem zou toelachen.
Tekst: Mattijs Diepraam
Foto's: Gerrie Hoekstra en Mattijs Diepraam
“Ik heb een heel fijn leven, moet ik zeggen”, zo luidt Luyendijks samenvattende antwoord op de vraag hoe hij tegenwoordig zijn dagen vult. Daar is een eenvoudige verklaring voor, want nadat hij begin deze eeuw zijn helm aan de wilgen hing, is hij allerminst uit de autosport gestapt. Eerst werd hij rijderscoach voor diverse IndyCar-coureurs en daarnaast kende hij een termijn als pacecar driver. Nu is hij al 12 jaar lang race steward bij IndyCar: tien jaar lang onafgebroken, met collega Max Papis, en daarvoor twee jaar zo af en toe. Luyendijk is inmiddels 72, maar voelt zich niet zo, al heeft hij zijn lange donkere lokken van weleer allang verruild voor een korter grijswit kapsel. Desondanks blijft zijn priemende blik uit duizenden herkenbaar. In zijn karakteristieke kalme houding en in een vlekkeloos Nederlands dat na zo’n 40 jaar aan de andere kant van de Atlantische Oceaan volstrekt niet veramerikaniseerd is, vertelt hij wat er zo fascinerend is aan zijn rol langs de zijlijn.
“Ik ben gelukkig nog steeds betrokken bij het autoracen. Al die dingen gedaan, maar steward zijn vind ik echt uitdagend. Ik verbaas me nog dagelijks over situaties die we nog niet eerder hebben meegemaakt. Max en ik zijn ook betrokken bij het aanpassen van de reglementen. Moeten we sommige straffen aanpassen of niet? Het hele verhaal blijft een moving target. Door de nieuwe technologie krijg je ook steeds meer data van de auto's. Dus we weten heel vaak waaróm iets gebeurt als er op de baan iets gebeurt. Je kunt dus steeds meer gefundeerde beslissingen nemen.”
In de IndyCar is bewust gekozen voor het vaste stewardspanel van Luyendijk, Papis en Dan Davis. Daar staat Luyendijk volledig achter. Sterker nog, hij heeft te doen met zijn collega’s in de Formule 1. “Als vaste steward leer je die rijders kennen. Je kent hun nukken en hun persoonlijkheid. Van een coureur als Scott Dixon kun je verwachten dat altijd alles okee is. Maar er zitten er ook bij van wie de een nog onbezonnener is dan de ander. Max en ik zien weleens coureurs met elkaar strijden van wie we zeggen: dat loopt binnen twee ronden niet goed af. Doordat je ze kent, kun je daar beter mee omgaan. Ik vind het dan ook niet eerlijk ten opzichte van de stewards in de Formule 1 hoe ze dat daar aanpakken. Ze zetten alles op papier, elk dingetje, hoe je elkaar mag inhalen en je auto moet positioneren. Dan sta je als steward met de rug tegen de muur. Ik heb daar echt mee te doen. Want al zitten die gasten daar en hebben een eigen mening. En toch moeten ze precies volgens het reglement de straf uitdelen. Eigenlijk zijn ze helemaal niet nodig. Het zou gewoon een leraar of een jurist kunnen zijn.”
Luyendijk vliegt één of twee keer per jaar naar Nederland en dat vindt hij wel genoeg. “Ik vind het heel vermoeiend door dat tijdverschil. Ik heb altijd tijd nodig om bij te komen. Het is geen kwestie van leeftijd, want ik heb er nooit goed tegen gekund.” Toch zou hij vaker hier kunnen zijn nu hij aan een restauratieproject gaat beginnen van zijn vroegste formuleauto, de Karringer waarmee het allemaal begon. “Ik haal hem deze week op en daarna gaat hij naar mijn vriend Peter Hoffschlagg. Hij heeft vroeger veel aan onze auto’s gewerkt, in zijn garage gaan we eraan beginnen. Er is geen haast bij, het gaat misschien wel drie of vier jaar duren. Dus vaker naar Nederland kom ik er niet voor. Het is een emotioneel ding, want het gezond verstand zou zeggen: doe weg dat ding. Als hij klaar is, ga ik er ook niet mee rijden. Wat dan wel? Ernaar kijken!”