Hoe is het nu met… Arie Luyendijk

Terug in Nederland werd 1972 zijn eerste raceseizoen, toen Luyendijk net 18 was geworden. Daarna probeerde hij in een Karringer zijn vader bij te houden, die toen met startnummer 1 rondreed en met diens Karringer MkII de koning was van de Formule Vee. Die auto is een paar jaar geleden in brand gevlogen en moet opnieuw worden opgebouwd, een project waar Luyendijk en zijn vrienden binnenkort aan gaan beginnen. Hij wijst op een foto al zijn tegenstanders aan: Michael Bleekemolen, Paul Verheij, Leo Steenbergen, Ron Swartsenburg. De luisteraars verbazen zich al een tijdje over Luyendijks fotografische geheugen, maar dan komt hij met een verklaring: “Ik heb de afgelopen jaren natuurlijk aan mijn biografie gewerkt, dus toen heb ik al die beelden weer voorbij zien komen.” Desondanks is het opmerkelijk hoeveel details hij spontaan weet op te sommen, ook al is het boek alweer een tijdje geleden opgeleverd.
Na zijn debuutjaar sloten de Luyendijks zich aan bij het nieuwe team van Nico Chiotakis, met hoofdsponsor Irish Moss 4711. Zijn Formule Ford werd een Elden, terwijl hij ook al een uitstapje maakte naar de Formule 5000. “Dat was een beetje een grote stap, vond ik. Achteraf gezien niet zo clever.” Eind 1973 werd hij benaderd door Bob en Rody Hoogenboom van HB Bewaking, om teamgenoot te worden van Roelof Wunderink. Het werd een moeizaam jaar. Luyendijk kreeg Mo Nunns eerste Ensign, toen al een oudere Formule Ford, maar moest eigenlijk alles zelf doen. Hij kreeg ook een test in Nunns nieuwe F1-auto van 1974, maar uiteindelijk ging het beloofde F3-verhaal in een March niet door. Teleurgesteld vluchtte Luyendijk naar Zuid-Afrika, waar hij zes maanden niet in een raceauto stapte. Pas halverwege 1975 keerde hij terug, met losse optredens in de Formule Ford 1600 en de Formule Vee.
De doorbraak kwam met dank aan Han Akersloot, die sponsoring van Rotel HiFi regelde. Daardoor kon Luyendijk in 1976 doorgaan in de Super Vee, om vervolgens in 1977 Europees kampioen te worden. “Het begin van dat jaar was heel moeilijk, maar toen kregen we eindelijk de motorproblemen onder de knie. Vanaf toen heb ik een heleboel races kunnen winnen. Dat was gewoon een goed jaar.” In 1978 schoof Luyendijk door naar Racing Team Holland, in de befaamde equipe met Jan Lammers en Huub Rothengatter. Het seizoen staat vandaag de dag vooral bekend als het jaar waarin Lammers kampioen werd. Intussen bleef Luyendijk ook Super Vee rijden. “Hoe meer, hoe beter, vond ik toen. Ik werd op het laatst aan het F3-team toegevoegd, met dank aan Johan Beerepoot en Ben Huisman. 
Zij vonden dat ik erbij hoorde, maar uiteindelijk was het team opgezet voor Huub en Jan. Dus wij kregen een fabrieks-Lola. Jaap en ik runden die auto zeg maar zelf. Later ben ik overgestapt naar een Ralt, want Jan won veel in die auto. Dus ik dacht: ik moet ook een Ralt hebben. Achteraf is dat een foute zet geweest, ik had gewoon met die Lola moeten blijven rijden. Je bent de enige Lola in het veld en je wordt vijfde of zesde. Dan zegt iedereen: doe je hartstikke goed! En met die Ralt heb ik het eigenlijk nooit beter kunnen doen.”
Het F3-seizoen daarop begon goed, want Luyendijk ging regelmatig in de slag met de latere kampioen Alain Prost. “Op Zolder reden Prost en ik weg bij het veld, maar de Argo versleet op een of andere manier nogal banden. Dus ook daar moest ik na een rondje of zeven een pitstop maken voor nieuwe banden. Dat gebeurde me zeker drie races.” Op Monaco kreeg de Nederlander echter de gang niet in de auto, zelfs zonder sidepods. “Je had toen twee kwalificatiegroepen en ik kon me niet kwalificeren. Ik was gewoon te langzaam, mijn auto was erg onderstuurd. Als je de heuvel op gaat, ga je eerst naar links en dan rechts om het casino heen. Ik had weer dat onderstuur, maar ik dacht – excuse my language – fuck it, gas erop, niet liften. Ik driftte uit naar de vangrail en raakte met mijn twee linkerwielen, maar vooral met het linkervoorwiel, hard die vangrail. Ik bleef gewoon het gas erop houden en kon doorgaan. En onderaan bij Mirabeau stuurde die auto helemaal netjes in! De volgende bocht, bam bam bam, erin! Alleen de eerste 20 kwalificeerden zich toen en ik lag iets van 26e. En ik schoot zo omhoog naar de 12e plaats! Ik had mijn onderstuur verholpen door de vangrail te raken…”
Het was het jaar waarin Lammers zijn debuut voor Shadow maakte – en dus kwam Luyendijk zijn vriend voor het leven opzoeken op Kyalami. “We hebben zoveel lol gehad samen en zijn elkaar natuurlijk voortdurend op het circuit tegengekomen. In IMSA raceten we tegen elkaar, hij bij Jaguar en ik bij Nissan. En ik zocht ‘m op als ik in Orlando was, waar zijn ex-vrouw met de kinderen woonde. Die kwam hij regelmatig opzoeken. Een keer was ik daar en belde ik Jan: hee, ik ben in Orlando, ben jij er ook? Zegt hij: ik sta op de parkeerplaats van de bioscoop. En daar stond ik toen toevallig ook!”