Autosport.nl Hét autosport magazine op Internet
Diversen

Hoe is het nu met… Arie Luyendijk



OLYMPUS DIGITAL CAMERA

In 1987 volgde de overstap naar Ron Hemelgarn, met een sterk seizoen waarin Luyendijk op Phoenix zijn eerste podium liet noteren en zevende in de eindstand werd. “Ik dacht dat ik in 1988 weer voor hem zou gaan rijden, maar Hemelgarn was niet een van de zuiversten in de paddock. Het bleek dat hij tegelijkertijd bezig was met een rijder met heel veel geld. Toen ben ik snel met Dick Simon gaan praten. Precies 20 jaar ouder dan ik, ook geboren op 21 september. Geweldige man.” Luyendijk werd nog steeds gesteund door Groenevelt, die zijn eigen team ophief om co-sponsor te worden bij Dick Simon. Die steun bleef aan tot en met 1989, toen Luyendijk een aanbieding kreeg van het team van Doug Shierson, dat werd gesponsord door Domino’s Pizza. “Met startnummer 30, omdat Domino’s beloofde dat de pizza altijd binnen 30 minuten werd bezorgd! Aat wilde mij blijven steunen, maar het was niet meer nodig, want de auto was volledig gefinancierd, ook door bijvoorbeeld Coca-Cola.”

Intussen reed Luyendijk ook in de IMSA de grote races op Sebring en Daytona, waar teams een derde rijder nodig hadden. Eerst in de Porsche 962 van Preston Henn met Danny Sullivan en AJ Foyt, waarmee ze in 1985 tweede werden op Daytona, na een lange strijd met de 962 van Al Holbert. Daarna met de GTP ZX-Turbo van Nissan, die in het reguliere IMSA-seizoen jarenlang onoverwinnelijk was in handen van Geoff Brabham en Chip Robinson en werd opgevolgd door de al even oppermachtige NPT-90, voordat die werd overvleugeld door de Eagle-Toyota van Dan Gurney’s All-American Racers. In de langere races bleek de GTP ZX-Turbo van Electramotive Engineering vaak onbetrouwbaar, behalve in 1989, toen Luyendijk samen met Brabham en Robinson de 12 Uur van Sebring op zijn naam schreef, met twee ronden voorsprong.

“De Nissans waren bekend om het feit dat ze heel veel vermogen hadden”, vertelt Luyendijk daarover. “Ze zeiden zelfs 1000 pk, en dat stond mooi in het persbericht, maar het was misschien net 901 pk. Desondanks was het veel meer ten opzichte van de Porsches onder hetzelfde reglement. Dus we konden met meer downforce rijden. Op het rechte stuk reden we net zo hard, maar in de bochten konden we veel later remmen. Jan en ik reden een keer constant 1 en 2, Jan in de Jaguar, ik in de Nissan. Dus we waren op het rechte stuk voortdurend aan het zwaaien naar elkaar. Totdat hij nog steeds aan het zwaaien was en de chicane er al aankwam. Hij vloog helemaal door het zand… Ik zat zó hard te lachen, totdat ik over de radio hoorde: ‘Can you stop playing around with your friend?’ De overwinning op Sebring in 1989 kwam doordat het zo heet was. Ik zat oorspronkelijk in de nummer 84 en ben toen overgezet naar de nummer 83 van Brabham en Robinson. Die gasten werden moe, dus toen hebben ze mij er nog even in gezet voor twee uurtjes. Het was vooral hun overwinning.”

In die periode volgde voor Nissan ook het eerste en enige optreden op Le Mans, een race die hij liever had vermeden, in een derde R89C die hij deelde met Brabham en Robinson. “Ik had mezelf altijd beloofd om niet op Le Mans te rijden, want ik was erg aangeslagen door het dodelijk ongeval van Jo Gartner in 1986. Maar Nissan betaalde zóveel… Ik dacht toen: ik ben professional en als professional moet je gewoon gaan. Maar op de rechte stukken heb ik altijd die gedachte van Jo bij me gehad.”

Meteen in zijn eerste jaar bij Shierson volgde de grootste overwinning uit zijn carrière: na een negende plaats op Phoenix en een zevende plaats op Long Beach schreef Luyendijk de Indianapolis 500 op zijn naam. Zijn laatste pitstop was ‘touch and go’. “Ik schoot voorbij mijn ‘marks’. Je had toen al een snelheidslimiet in de pits. Dus je kwam vol door 4 naar de pits en dan moest je zorgen dat je je stuur helemaal recht had. Pas dan kon je beginnen met remmen. Wij stonden helemaal vooraan in de pits en je hebt echt die hele pitstraat nodig om af te remmen. Dus ik kwam met geblokkeerde wielen aan. Het ging nog nét. Een mooi moment, dat vergeet je natuurlijk nooit.”

arie 1994 interview petersen

Het jaar erna stapte Luyendijk over naar Granatelli, een seizoen waarin hij zijn ‘thuisrace’ op Phoenix won en ook de winst greep op de one-mile-oval van Nazareth. “Maar het team viel na afloop van het seizoen uit elkaar – en dan sta je in 1992 ineens zonder auto. Ik heb wel voor Nissan gereden en deed daarnaast ook IROC, een soort NASCAR voor sterren. Ik heb toen gereden tegen mannen als Jeff Gordon en Dale Earnhardt. Die waren zó goed in dat slipstreamen! Daar heb ik ook geleerd dat NASCAR niets voor mij is, ik kon daar niet tegenop. Ik heb ook een van mijn grootste ongelukken in zo’n IROC-auto gehad.”

Chip Ganassi redde intussen Luyendijks Indy-carrière door hem in 1992 een extra auto te geven voor de grote speedways van Indianapolis en Michigan, waarna de Nederlander werd beloond met een vol seizoen in 1993, als teamgenoot van Eddie Cheever. Voor het eerst pakte Luyendijk de pole op Indianapolis, om in de race als tweede te eindigen. Op Michigan eindigde hij als derde achter Newman-Haas-duo Mario Andretti en Nigel Mansell, die het seizoen domineerden. “Nigel praatte net als Trump nu, zeg maar! Altijd overdrijven. Ook op dat podium. Hij stond helemaal te hijgen. Het was wel heet, maar echt niet zo erg. Dus ik zeg tegen Mario: ‘What the fuck is his problem?’ Het was echt een drama queen…”

dames mickeys

Autosport.nl Hét autosport magazine op Internet