Cees van Dongen - Rob Slotemaker was een bijzonder mens

Lesauto’s
Slotemaker wilde in deze beginfase van de slipschool graag nieuwe lesauto’s. Hij kocht ze echter niet, maar huurde ze van een Amsterdamse dealer. Toen had ik het nog niet echt door, want ik moest niet alleen de auto’s goed wassen. Ook de binnenkant van de bumpers, waar natuurlijk olie zat, moesten grondig schoongemaakt worden. Daar begreep ik nooit wat van. Wist ik veel dat de auto’s ook weer terug moesten.
Een aardigheidje van Rob...
In 1964 is de slipschool verhuisd naar de Burgemeester Van Alphenstraat, naast de toegangsweg van het circuit. Ik mocht zo af en toe de auto’s op hun plek zetten en ook wel eens de baan op. Maar Tonny was verder, die heeft zelfs in een Dafje de nieuwe slipbaan met een 360-gradenslip geopend.
Rob zorgde altijd heel goed voor ons. We gingen altijd uit eten met hem, iedere dag bij de Chinees. Of in Amsterdam. Of in Haarlem bij het Indische restaurant Hilda aan de Wagenweg. Rob kwam uit Batavia, hij vond het eten lekker en het was ook nog in die tijd heel voordelig.
De bezetting van de slipschool wisselde veel. Maar Tonny en ik bleven altijd. We hielpen Rob Slotemaker ook tijdens races op onze manier. We stonden wel langs de kant, zogenaamd om het pitbord door te geven. Een beetje voor spek en bonen eigenlijk, maar we deden wel ons best. Ik had een stopwatch voor mijn verjaardag gekregen en was daar vaak mee bezig.
Hagelslag
Als we gingen lunchen in het karakteristieke pandje boven op het heuveltje op de slipschool, gooide Rob zo veel hagelslag op zijn beschuitje dat je het beschuitje niet meer zag. Hij vertelde iedere keer hetzelfde verhaal aan tafel, dat we natuurlijk al tientallen keren hadden gehoord. Dan nam hij een hap van dat beschuitje met zo veel hagelslag dat zijn tanden er vol mee zaten. Het werd pas leuk als er een wildvreemde binnenkwam en hij dan met zijn lachende gebit vol hagelslag de nieuwkomer welkom heette. Dat was geen porem natuurlijk, en dan lagen wij helemaal gevouwen van het lachen.
Vakantie
Tonny en ik gingen met Slotemaker op vakantie in Zuid-Frankrijk. Met z'n drieën in zijn kleine Spitfire. Hij stopte gewoon helemaal nooit, behalve om benzine te tanken en om even te plassen. Dan gingen we naar Antibes, daar had hij een bootje liggen, om op een van de eilandjes daar te gaan zwemmen en snorkelen, want je moest wel van Rob kunnen zwemmen. Daarvoor ben ik eerst met mijn vader op zwemles geweest. Anders mocht je niet mee. Volgens mij kon Tonny niet zwemmen, maar dit even terzijde…
We leerden veel van Sloot. We gingen eten in de mooiste restaurants van Cannes op de boulevard. We hebben de hele week alleen maar ravioli gegeten, want wat de boer niet kent, dat eet hij niet, terwijl Rob alleen maar de lekkerste biefstukken at.
Er reed in het haventje een man op een fiets rond die alles controleerde. Deze Fransoos begroette Slotemaker altijd met ‘Bonjour docteur’. Op de vraag van ons waarom hij dokter werd genoemd, zei hij: ”Ach, als ik moet uitleggen wat ik wel doe, dan snapt die man dat toch niet. En als ik zeg dat ik dokter ben, mag ik rustig in dat haventje blijven liggen met mijn bootje.” Mooi verhaal toch…
Later kwamen ook Ina van Houten en Adriaan Slotemaker, dat was een neef van hem, naar Antibes toe. We sliepen met ons drieën in het kleine bootje van Rob en moesten toen voor hen ruimte maken. Dus wij moesten gewoon buiten op de rotsen slapen. Nou, dat was wat, had ik nog nooit gedaan. Dan lig je daar op een stuk steen en met dikke ogen van de muggenbeten werden we wakker. Maar dat gaf allemaal niet, het was allemaal goed.