Retro: Bradshaw verslaat de favorieten op Silverstone

De gebruikelijke favorieten in de historische Formule 1 zijn tijdens het Silverstone Festival opgeschrikt door een verrassende winnaar: Tom Bradshaw won op zijn debuut beide wedstrijden, nadat vaste F1-klant Steve Hartley diens McLaren MP4/1 voor één keer aan Bradshaw had uitgeleend. Voor de familie Hart was het weekend intussen lang niet zo succesvol als vorig jaar: met name Olivier Hart maakte een frustrerend weekend mee, waarin schade twee keer een einde maakte aan zijn winstkansen. Toch gingen er nog enkele bokalen mee terug naar Wassenaar. Dat gold niet voor de familie Kuijl: hernieuwd Silverstone-succes bleek niet voor hen weggelegd. Het duo Michiel Campagne/Allard Kalff nam wél een prijs mee: zij eindigden als tweede in de Groep C-wedstrijd. Ook Cor Euser bemachtigde een tweede plaats algemeen, zijn Marcos Mantara LM600evo was bovendien de snelste GT2 in het GT-veld van de Masters Endurance Legends.
Tekst en foto’s: Mattijs Diepraam
Viervoudig kampioen Steve Hartley – in 2022 voor het laatst titelhouder met zijn McLaren – heeft de laatste jaren minder geluk met de MP4/1 en had de laatste paar weekenden zelfs het gevoel de weg kwijt te zijn qua afstelling. Om die reden had hij Bradshaw om een second opinion gevraagd. De Brit uit Bolton voert momenteel de Britse Porsche Sprint Challenge aan en heeft in het verleden meermaals sportwagenwedstrijden van Masters gewonnen in de Chevron B19 die hij zelf met zijn vader – een oud-Chevron-medewerker – heeft opgebouwd. Talent valt de dertiger dus niet te ontzeggen.
Sterker nog, hij stuurde de McLaren op vrijdag eerst naar een overtuigende pole, om vervolgens de eerste race van kop af te domineren. Op de gedeeltelijk omgekeerde grid van zondag stoomde hij vanaf de zevende startplek op om halverwege de wedstrijd de leiding over te nemen. Zijn opmerkelijkste prestatie was daarbij ongetwijfeld in de ronde te noteren waarin hij drie tegenstanders wist te passeren. In zijn kielzog reed Stuart Hall op zaterdag naar een tweede plaats, nadat hij zijn March 821 al in de tweede bocht voorbij de Tyrrell 011 van Matt Wrigley wist te voeren. Wrigley probeerde daarna alles, maar het bleek niet genoeg. De volgende dag wierp de strijdbare regerend kampioen opnieuw alles in de strijd, nu met nog een derde plaats achter de Williams FW07C van titelrivaal Mike Cantillon als gevolg, maar deze keer kwam hij op de omgekeerde startopstelling van verder en wist hij op snelheid de Fittipaldi F8 van Sam Hancock te verschalken.

Het publiek keek daarnaast uit naar een herhaling van de tweestrijd tussen Olivier Hart en Julian Thomas in de International Trophy voor GT’s tot 1966. Hun Shelby Cobra Daytona Coupés kregen deze keer bovendien fel tegenstand van de TVR Griffiths van John Davison en John Spiers/Nigel Greensall. Lang ging het twee tegen twee, waarbij Davison zelfs moedig de kop greep en lange tijd de Daytona Cobra’s achter zich wist te houden. Maar daarna vatten Thomas en Hart toch weer hun duel aan de kop van het veld op. Helaas zou dat niet tot aan het einde van de wedstrijd duren, want een kostbare fout zorgde ervoor dat Hart na zijn pitstop werd weggestuurd in de baan van een Corvette die ook net binnenkwam. De schade was aanzienlijk, maar Hart kon doorrijden. De straf die onvermijdelijk volgde, deed hem echter de das om. Een late safety car liet hem nog wel in de buurt van Thomas en Davison komen, maar daar bleef het bij. Achter Hart was een heldenrol weggelegd voor Giles Dawson, die in zijn kleine Elan uiteindelijk zelfs de TVR van Spiers/Greensall wist te verslaan.
Een zelfde tweestrijd lag in het verschiet in de afsluitende Masters Sports Car Legends-wedstrijd: Hart Jr zou het daarin opnieuw opnemen tegen Alex Brundle. Hun Lola T70 Mk3B’s kregen bovendien gezelschap van een derde T70, ook nog eens bestuurd door het uiterst capabele duo Chris Ward/Jan Magnussen, maar dat was niet alles: in de kwalificatie bleek dat de Lola’s veel te duchten zouden krijgen van de Chevron B26 van Christian Pittard en Darren Burke. Eigenaar Pittard kon aardig in de buurt blijven van de Lola’s, waarna Burke – die een fabelachtige poletijd had laten noteren – de achtervolging inzette. Met rondetijden die twee tot drie seconden sneller waren dan koploper Brundle leek Burke zelfs aan het langste eind te trekken, totdat de motor van de Chevron begon te haperen en hij eieren voor zijn geld koos: liever als tweede finishen met een relatief onbeschadigde motor dan voor goud gaan en met de rokende puinhopen blijven zitten. Hart was toen al niet meer in beeld: in zijn achtervolging op Brundle had hij een achterblijver geraakt, met schade tot gevolg die terminaal zou blijken te zijn.

Ook in de Historic Touring Car Challenge van Motor Racing Legends zat het niet mee voor de familie Hart, al lijkt de uiteindelijke tweede plaats – opnieuw in het kielzog van Julian Thomas – daar niet op te wijzen. Toch had er voor de BMW 3.0 CSL van de Harts méér in gezeten, want vanaf de pole streed David Hart op dat moment om de eerste plaats met de andere prominente Nederlandse deelnemer aan de wedstrijd: Wim Kuijl in de snelste Ford Capri RS3100 van het veld. Een overmoedige inhaalpoging van Kuijl in Copse leverde de Zeeuws-Vlaming echter een lekke band op en Hart Sr een excursie die de Ford Sierra RS500 Cosworth van Thomas voorbijliet. Oponthoud tijdens de stop wierp de BMW daarna nog verder terug. De teamgenoten van Kuijl – vader Dieter Kuijl in de andere RS3100 en Sam Verheggen in de Mercedes 190E 2.5 16V Evo 2 – haalden beiden het einde niet.
In de andere toerwagenrace op het programma, de Transatlantic Touring Car Trophy voor toerwagens tot 1966, leek de overwinning van drievoudig Masters Pre-66 Touring Car-kampioen Sam Tordoff een uitgemaakte zaak. Hij had zijn onoverwinnelijke Ford Falcon weliswaar ingeruild voor een reguliere Mustang, maar ook die zette hij op pole. Wel had de oud-BTCC-racewinnaar 20 seconden straftijd te verwerken vanwege zijn status – en daar maakte het duo Robert Ross/Matt Johnson maximaal gebruik van. Ross bleef in de eerste fase hardnekkig in het spoor van Tordoff, waarna Johnson het kon afmaken. Door zijn tijdstraf was Tordoff zelfs teruggevallen naar de vijfde plaats, maar met hulp van een late safetycarperiode kon hij alsnog terugkeren in het spoor van Johnson. Die liet echter niet met zich spotten: wat Tordoff ook probeerde, Johnson gaf zich niet gewonnen. In hun kielzog stuurde regerend BTCC-kampioen Jake Hill de Mustang van Colin Sowter naar een derde plaats door in de laatste ronde twee tegenstanders tegelijk af te troeven. Verderop in het veld ontdekten Michiel Campagne en Allard Kalff intussen hoeveel sneller de Britse Mustangs gaan ten opzichte van hun eigen exemplaar: ze eindigden als 22e tussen de Cortina’s en de snelste Mini’s.

Campagne en Kalff waren een stuk prominenter aanwezig in de Group C-wedstrijd die Masters had georganiseerd. Er kwamen helaas maar 12 auto’s op af, waarvan er na diverse problemen in de kwalificatie maar acht aan de start verschenen. Kalff liet zich bij de start meteen van zijn strijdbaarste kant zien door brutaal de leiding over te nemen van de Lancia LC2 van de Spaanse GT-coureur Andy Soucek. De Spanjaard liet echter niet los en kon de leiding terugveroveren toen Campagne het stuur overnam van de Spice SE92C. Derde werd de Fransman Xavier Micheron in de pas gerestaureerde Nissan R90CP.
In de F1-races voor auto’s tot 1966 ging de strijd opnieuw tussen de Cooper-Climax T53’s van Will Nuthall en Rüdi Friedrichs. De Duitser haalde alles uit de kast en voerde aanvankelijk zelfs de eerste race aan, maar uiteindelijk bleek hij toch niet tegen Nuttall opgewassen. Tom Waterfield droeg vervolgens bij aan twee maal een identiek podium, dat bovendien volledig werd gemonopoliseerd door T53-rijders. Van de auto’s met de motor voorin was de Scarab van Miles Griffiths de snelste, maar ook de fragielste. Twee keer haalde Griffiths het einde niet. Daardoor mochten Richard Wilson (Ferrari 246 Dino) en John Spiers (Maserati 250F) het twee keer uitvechten om de klasseoverwinning. De Ferrari won beide keren.

Tom Waterfield mocht nóg een keer het podium opzoeken na de 500cc F3-race. Zijn Cooper Mk9 bleef daarin met een snorhaarlengte verschil de Mk9 van Peter de la Roche voor. Alex Wilson (Mk10) en George Shackleton (Mk11) werden op tien seconden gereden. Mike Doodeman reed met de Larkens mee en liet in een race met 53 auto’s een verdienstelijke 24e plaats noteren voor het Nederlandse ontwerp.
In de Derek Bell Trophy voor F5000- en F2-auto’s kon niemand Michael Lyons bijbenen. Zijn Lola T400, een F5000, was sowieso geen maat voor zijn snelste tegenstanders, Dan Eagling in een March 742 en Alex Kapadia in een March 762. Eagling viel de tweede dag weg na een onderbreking voor een zware crash, zodat Kapadia in de tweede race tweede kon worden. Het einde van die wedstrijd kreeg nóg een heftiger ongeluk te verwerken, toen de achterwielophanging van de March 732 van Jake Shortland het in Vale begaf en de Hall & Hall-monteur in een vervaarlijke koprol werd geslingerd. Shortland was zichtbaar door elkaar geschud toen hij uit de auto stapte en werd uit voorzorg naar het ziekenhuis vervoerd. Gelukkig bleek er niets aan de hand te zijn.

Ook in de Formule Junior-wedstrijden waarmee beide wedstrijddagen traditioneel beginnen, leek het publiek een tweevoudig winnaar te mogen begroeten: het zou niet de eerste keer zijn geweest dat Horatio Fitz-Simon beide races in zijn Brabham BT6 had gedomineerd. Maar ook al sloeg hij terug met een sterke overwinning in race 2, op zaterdag moest hij toch de Cooper T59 van Sam Wilson, de BT6 van Alex Ames en de Lotus 22 van Chris Goodwin voor zich dulden. Wilson en Ames stonden ook op zondag op het podium.
In een eindelijk weer eens royaal bezette RAC Woodcote & Stirling Moss Trophy stuurde de Schot Andrew Smith zijn Cooper Monaco als in zijn beste dagen naar de overwinning. De duo’s Spiers/Greensall (Lister Knobbly) en Wilson/Nuttall (Lotus 15) konden niet bij de Monaco in de buurt komen. De hoofdprijs had echter naar Bonamy Grimes en Johnny Mowlem moeten gaan, want met Mowlem aan het stuur pakte hun Lotus 15 de kop van Smith over, om vijf minuten voor het einde stil te vallen vanwege samengesmolten contactpunten in de verdeelkap. Op de tiende plaats algemeen ging de Woodcote Trophy naar Gary & John Pearson in hun Jaguar D-type. De broers leken ook de beste kansen te hebben in de relatief mager bezette RAC Historic TT voor pre-63 GT’s, maar hun E-type legde het in het tweede deel van de race af tegen de speciale Lotus Elite met 2-liter-motor van Michael Gans, die in de openingsfase op het vinkentouw zat. David Hart kon iets van het teleurstellende DHG-weekend goedmaken door in de Ferrari 250 GT SWB op te klimmen naar de derde plaats, op slechts twee seconden van de Pearsons. Feitelijk was dat zelfs een tweede plek, want Gans deed hors concours mee.

In de ‘modern historische’ wedstrijden op het programma liet Steve Brooks in de Masters Endurance Legends een dubbel noteren met zijn onnavolgbare Peugeot 90X. De familie d’Ansembourg verdeelde op zaterdag de resterende podiumplaatsen: vader Christophe werd tweede met de Lola-Aston Martin DBR1-2 en zoon Werner werd derde in de Pescarolo-Judd 01. De volgende dag eindigde de jonge Belg een plekje hoger, waarna Keith Frieser in zijn Zytek 09S het podium opvulde. Bij de GT’s was de Bentley Continental GT3 van Witt Gamski/Ross Wylie beide keren niet te stuiten, maar Cor Euser liet van zich spreken door op zaterdag tweede te worden in de veel oudere Marcos Mantara LM600evo. Op zondag haalde de Marcos de finish helaas niet.
De Masters GT Trophy eindigden in een 1-2 voor Lamborghini-duo’s Craig Wilkins/Aaron Scott (die we nog kennen uit de Supercar Challenge) en Neil Glover/Luke Reade. Van de twee amateurs in beide bezettingen reed Wilkins zó hard dat de uitslag vooraf al vaststond. De Ferrari 488 Challenge Evo van Bonamy Grimes en Johnny Mowlem was de enige die in de buurt wist te komen van de twee Gallardo GT3’s. In de GT4-klasse reed de Nederlander Axel van Nederveen mee, die we hier niet kennen omdat hij in Engeland woont, werkt en racet. Met zijn Ginetta G55 werd hij 18e algemeen en vijfde in zijn klasse.
Wilkins en Scott reden net als veel andere GT3-auto’s in het GT Trophy-veld ook mee in de GT3 Legends van Motor Racing Legends, maar gooiden daarin aanmerkelijk minder hoge ogen. De hoofdprijs in het indrukwekkende veld van 35 oudere GT3’s ging naar Danny Winstanley in de Audi R8 LMS ultra.
Alle uitslagen op een rij