Formule 2: Frits van Amersfoort: “Ik had nooit gedacht dat we uit deze onderneming een pensioen zouden halen”

In FRECA draaide Van Amersfoort Racing een uitermate sterk seizoen, als derde team achter Prema en R-Ace, en vrijwel op gelijke voet met de laatste. “Een supergoed jaar inderdaad, maar we hebben met Brando Badoer net niet een overwinning gescoord. Dat was toch wel een beetje jammer. FRECA is ook wel een beetje een loterij, want je hebt maar 15 minuten in de kwalificatie.” Waarna Van Amersfoort terugkeert naar het eerdergenoemde punt dat er inmiddels opnieuw keuze is uit verschillende kampioenschappen op Regional- en F4-niveau, niet alleen in het reguliere seizoen, maar ook in de winter. “We doen met de F4 mee aan de Formula Winter Series in Spanje en Portugal. Noodgedwongen, want we vinden het een zorgelijke ontwikkeling. We hebben er al over gesproken met Emanuele Pirro, de voorzitter van de Single-Seater Commission van de FIA. Je kunt nu de hele winter blijven doorrijden en dan terugkomen in Europa met zo veel sportieve voorsprong op de concurrenten die dat geld toevallig niet hebben. Natuurlijk hebben onze coureurs ook zo lang mogelijk doorgetest, tot in december. Maar dat is wat anders dan in januari en februari in het Midden-Oosten de ene na de andere race rijden en winnen. Maar ja, die landen willen ook graag een kampioenschap organiseren en hun circuits verdienen er een mooie boterham aan. Maar voor ons is het organisatorisch lastig en ook persoonlijk zwaar: als het reguliere seizoen begint, zijn de monteurs al halfdood. En voor ons als Nederlands team in de Italiaanse F4 houdt dat reizen het hele jaar niet op.”

Op Regional-niveau heeft dat andere grote Nederlandse formuleteam MP Motorsport ervoor gekozen om FRECA te verlaten en zich volledig op Eurocup-3 te gaan richten. Dat relatief nieuwe kampioenschap positioneerde zichzelf oorspronkelijk als tussenstap tussen F4 en FRECA, maar zag zijn toppers deze winter desondanks rechtstreeks naar de Formule 3 promoveren. Daarmee lijken beide klassen toch meer naast elkaar te komen te staan. Zo kan de toenmalige rivaliteit tussen het originele FREC en de Eurocup Formule Renault kunnen herleven. Van Amersfoort is er niet gelukkig mee: hij ziet het als versnippering. Dat de GB3 bovendien voet aan de grond probeert te krijgen op het Europese vasteland, schaart hij onder hetzelfde thema. Tegelijk is hij er reëel over: er is gewoon veel aanbod. Hij verwijst naar de Formula Winter Series, waar vorig jaar maar liefst 38 auto’s aan meededen – wat eigenlijk al te veel was. Zo konden de Spanjaarden er makkelijk een tweede kampioenschap bij gaan organiseren.

“Vroeger – en dan praat ik over nog niet eens zo heel lang geleden – was geld altijd het struikelblok. Nu is geld voor een heel grote groep geen kwestie meer. Als je F4 wilt doen, kijkt niemand er meer van op dat dat een half miljoen kost. En dus kunnen al die auto’s worden gevuld. Het is opmerkelijk hoeveel rijdersaanbod er op F4-niveau is – en dat geldt op FRECA- en F3-niveau eigenlijk nog steeds. De oude F3 is ooit overleden aan gebrek aan rijders, maar deze winter waren het er juist te veel! Terwijl het door de nieuwe auto alleen maar duurder is geworden. Natuurlijk zou ik het niet zo’n goede ontwikkeling vinden als FRECA en Eurocup-3 meer naast elkaar gaan bestaan, maar we moeten maar zien hoe het loopt. Dit jaar zal FRECA zeker nog toonaangevend zijn, maar meestal staat of valt zo’n kampioenschap met het enthousiasme van degene die het runt. Wie weet hoe lang Renault nog FRECA blijft steunen nu Briatore adviseur is bij Alpine… De tijd zal het leren.”

Vanwege dat ruime rijdersaanbod ziet Van Amersfoort bedrijfsmatig een gezonde en redelijk stabiele formuleladder, al constateert hij op Regional- en F4-niveau een gat in Noord-Europa, met name in Duitsland, de Benelux en Scandinavië. Het wekt daarom geen verbazing dat jonge talenten uit Noord-Europa meteen voor de sportscars kiezen en daarin serieuze carrièrestappen weten te zetten. Zo kijkt iedereen in het WEC momenteel zijn ogen uit naar de manier waarop jonge Denen als Nicklas Nielsen, Mikkel Jensen en Malthe Jakobsen bij grote fabrieksteams hun teamgenoten van naam te snel af zijn.

“Ik heb veel historie in de Duitse autosport. Alle Duitsers die ik spreek zeggen dat de formulesport er helemaal dood is. Er zijn alleen maar GT's. Zelfs in de DTM rijden GT’s. Dan zie je ook waarom de Duitse F4 kapot is gegaan. Omdat de ADAC geen raceclub is die die formuleklasse oppakt. Vroeger was de Duitse F3 het kindje van Bertram Schäfer, nu is er niemand die die rol op zich neemt. Verder kennen we Duitsland natuurlijk als een enorm bureaucratisch land. Waarom rijdt FRECA bij voorkeur niet in Duitsland? Vanwege de strenge wetgeving ten aanzien van tenten! Teams moeten speciaal goedgekeurde tenten kopen. Dat bedenk je toch niet? En als dan ook nog grote Duitse merken als Mercedes en Volkswagen uit de formulesport stappen… In Nederland en België zouden we het kunnen proberen, maar wij hebben hier niet de capaciteit om het zelf te doen. De KNAF zou in de F4 tegen een enorme kostenspiraal aanlopen. Groot gelijk dat zij hun vingers daar niet aan willen branden.”

“Die jonge Duitsers en Denen kan ik daarom geen ongelijk geven. Het is logisch dat ze samen met hun sponsors hun investeringen op een ander gebied in de autosport gaan richten. Je ziet het in Nederland ook aan jongens als Larry ten Voorde en Morris Schuring die het zonder noemenswaardige formule-ervaring toch ver schoppen in de sportscars.” Op zichzelf zou dat een slechte ontwikkeling voor de formuleracerij zijn, omdat het laat zien dat je geen formuleauto’s nodig hebt om ver te komen in de sportscars. Aan de andere kant kost het momenteel geen enkele moeite om een FRECA- of F4-veld te vullen, wat bepaald geen prijsdrukkend effect heeft. “Makkelijker wordt het dus niet voor die Noord-Europese jonge coureurs die iets in de formuleauto’s willen”, zo concludeert Van Amersfoort.

Het is tijd om af te ronden met de hamvraag die hem dit jaar ongetwijfeld nog vaak zal worden gesteld: had hij 50 jaar geleden verwacht dat hij op zijn 70e nog steeds aan het hoofd van zijn bedrijf zou staan en dat het tot zo’n grote organisatie zou uitgroeien? “Nee, maar zelfs tien jaar geleden had ik dat nog niet gedacht!” is zijn eerlijke antwoord. “Als ik iets nooit heb gekund, is het vooruitdenken. Ik ben opportunist pur sang. Uit opportunisme hebben Rob en ik het elk jaar aan elkaar kunnen breien. Uiteindelijk heeft ons dat gebracht waar we nu zijn. In het geheim ben ik altijd stiekem fan geweest van Ron Dennis. Een paar jaar ouder dan ik, begonnen als monteur bij Brabham, maar bij McLaren een heel imperium opgebouwd. En als je ziet wat hij nu allemaal nog doet in allerlei vrijwilligersorganisaties – dat vind ik bewonderenswaardig. Ik heb ook altijd gezegd dat ik bereid ben om iemand toe te laten die samen met mij het stokje wilde dragen. Dat is destijds gelukt met Guy Laliberté, maar die is toch weer vertrokken. Nu staat Rafael Villagómez borg voor de toekomst. Ook voor Rob en mij. Ik had nooit gedacht dat we uit deze onderneming een pensioen zouden halen. Dat is met de verkoop toch gelukt en dat is best prettig. Als ik dan denk aan de lange periode vóór het tijdperk-Laliberté en nu het tijdperk-Villagómez… Mensen zijn rare wezens. Ieder mens zal zeggen dat een beetje zekerheid belangrijk is voor de toekomst. Maar op het moment dat je die zekerheid totaal niet hebt, heb je wel de zekerheid dat je het toch gaat doen.”

“Ik kan ieder jaar van die 50 jaar nog verbinden met alle rijders die we hebben gehad. Dus als je vraagt, weet je nog? Dan denk ik: o ja, toen hadden we die. Dat zit echt in mijn hoofd – en daaraan zijn weer gebeurtenissen in mijn privéleven gekoppeld. Dat is natuurlijk een beetje apart, want als je naar de favorieten in mijn telefoon gaat kijken, staat Rob bovenaan. Dan pas mijn vrouw. Bij Rob is dat hetzelfde. We zijn het op een gegeven moment samen gaan doen en hebben ook nooit stront gehad. Regelmatig was het moeilijk, maar we gingen gewoon door. Dan kun je aan het slot zeggen: we sluiten de tent. Maar dat gebeurt niet. We weten nu zeker dat dat niet gebeurt. Dat is ook een geruststelling voor de mensen die hier werken. De naam staat op de gevel en die zal er nog wel even op blijven staan.”