Formule 1: Oud-Shadow-teambaas Don Nichols overleden
Zijn achtergrond was de schaduw waarnaar de naam van zijn team verwees. Zijn hele carrière als teambaas in Can-Am en daarna de Formule 1 deden verhalen de ronde dat Nichols in Japan voor de Amerikaanse geheime dienst had gewerkt – een mythe die hij met het spionnenlogo van zijn team van harte cultiveerde. Samen met Penske en Parnelli was Nichols verantwoordelijk voor de opleving van Amerikaanse betrokkenheid in de Formule 1 in de jaren zeventig, die in gang was gezet door halve Europeaan Mario Andretti. Don Nichols overleed gisteren op 92-jarige leeftijd.
Tekst: Mattijs Diepraam
Foto's: Willem J. Staat, Mattijs Diepraam
Of Nichols als WO2- en Korea-veteraan daadwerkelijk als spion heeft geopereerd in de Vietnam-tijd, zal altijd in nevelen gehuld blijven – velen beweren dat er twee Amerikanen waren die Don Nichols heten en in Azië actief waren, eentje bij de Amerikaanse militaire inlichtingendienst, de ander als succesvol handelaar in banden. Die laatste is in ieder geval de Don Nichols die na terugkeer naar zijn vaderland het bedrijf Advanced Vehicle Systems opzette, vanwaaruit hij in 1970 zijn eerste raceauto liet bouwen.

Meteen koos Nichols voor het extreemste: Can-Am, de klasse die als reglement zo ongeveer 'alles mag' had. En daarbinnen vloog Nichols nog eens uit de bocht door Trevor Harris opdracht te geven tot het tekenen van de AVS Shadow Mk1, een onwaarschijnlijke contraptie waarin de coureur wijdbeens en liggend diens werk moest doen. Shadow was in eerste instantie de typeaanduiding van de auto en als teamlogo koos Nichols voor de beeltenis van een duistere gemantelde spion – koketteren met zijn vermoede eerdere gevaarlijke leven deed hij graag.
Shadow werd al snel de naam van het team en de opvolgende CanAm-auto's werden zowel traditioneler als sneller, totdat George Follmer in 1972 met Shadow de titel won. De ambities van Nichols reikten meteen verder naar de Formule 1, waar hij in 1973 instapte met Follmer en Jackie Oliver. In 1974 zag het er met Jean-Pierre Jarier en Peter Revson rooskleurig uit, maar het dodelijke ongeval van Revson op Kyalami was een zware tegenslag. Als vervanger van Revson wist Nichols de diensten van de talentvolle Welshman Tom Pryce te bemachtigen en samen leken ze alsnog een beloftevolle toekomst tegemoet te gaan. De Shadows bleken in handen van Pryce (en ook Jarier) steeds snel, maar allesbehalve betrouwbaar.

De doorbraak met Pryce kwam niet, vanwege diens tragische dood op (alweer) Kyalami in 1977. Zelfs de overwinning van Alan Jones op de Österreichring in 1977 – eindelijk een zege, die als donderslag bij heldere hemel kwam – kon het tij niet keren. Hoofdsponsor Uop was na het seizoen 1975 al vertrokken en de vervangende sponsors Tabatip en Ambrosio konden het gat niet dichten. Met Stuck en Regazzoni gleed Shadow in 1978 weg naar de middenmoot, waarna het zonder budget voor een nieuwe auto in 1979 afzakte naar bedenkelijke niveaus, met debutanten Jan Lammers en Elio De Angelis. Het werd nog één jaar spartelen voordat Nichols zijn aandelen overdroeg aan de Indonesische zakenman Teddy Yip.
In 1977 had een uittocht van Shadow-teamleden, aangevoerd door sponsorjager Jackie Oliver, al het einde ingeluid. Nichols won weliswaar zijn rechtszaak tegen het nieuwe Arrows-team, dat diens laatste ontwerp had gejat, maar dat kon de ondergang niet afwenden.
Jarenlang zat Nichols boven op zijn eigen collectie Shadow-auto's, die hij opsloeg in een loods in het Californische Salinas, totdat hij begin deze eeuw overstag ging en ze een voor een begon te verkopen. Diverse F1-auto's die nu in het FIA Masters Historic Formula One Championship rijden, zijn rechtstreeks afkomstig uit de collectie-Nichols. Ook Harm Lagaaij, die volgende week op de Historic Grand Prix op Zandvoort zijn opwachting maakt met de AVS Shadow Mk1, betrok die wonderbaarlijke auto van Nichols zelf.