Sportscars: Groeten uit La Chartre-sur-le-Loir: Derek Bell, 40 jaar later
Bell zat goed op zijn praatstoel.
Toen Bell zijn Le Mans-debuut maakte, in 1970 voor Ferrari, liep het tijdperk al ten einde waarin teams in lokale garages hun intrek namen om daarna naar het circuit te rijden – zoals ook op onder meer Zandvoort en Spa gebeurde. Tegelijk reed hij in de jaren negentig met high-tech-raceauto's. Had hij 20 jaar eerder of later geboren willen zijn? "Het jaar dat ik met de Mirage won, 1975, was het laatste jaar hier. Maar toen reden we allang niet meer met de auto over de openbare weg naar het circuit. De auto's gingen gewoon in de transporter. Ik ben juist blij dat ik precies in de jaren zeventig op mijn hoogtepunt was: het was al high-tech zonder laptops. Rauwe technologie, maar we liepen wel voorop. De luchtvaart keek toen af bij de autosport! Hoe high-tech wil je 't hebben?"

Bell maakte zowel zijn F1- als zijn Le Mans-debuut voor Ferrari, maar een Ferrari-ster zou hij nooit worden. Hoe kan dat? "Misschien was 't maar goed ook, want Ferrari maakte toen niet zijn beste tijd mee. Maar achteraf gezien was mijn debuut voor Ferrari heel bijzonder: sta je daar op Monza tussen alle groten, voor hét racemerk, en je rijdt meteen de zesde tijd. Maar op dat moment was ik helemaal niet tevreden! Ik was een tiende langzamer dan Jackie Stewart en daar ergerde ik me enorm aan."

Even een pauze in de handtekeningensessie.
Van een snel doorgebroken eenzittertalent – iedereen wilde 'm hebben – werd Bell uiteindelijk de klassieke endurance-coureur. Hoe kon dat? "Ik was eind jaren zestig 'in trek', kun je wel zeggen. Van F3 naar F2 naar F1 ging zó snel. Ik won in F3 acht races achter elkaar, voordat ik het wist zat ik een Ferrari F2 en na een paar keer zette Ferrari me al in een F1-auto. Eigenlijk was ik nog niet klaar voor F1. Terwijl monoposto's altijd mijn grote liefde zullen blijven. Zo lichtvoetig, zo precies. Formule 2 was dé formule. Ik ben 't tot 1976 blijven doen, vooral F5000. Maar mijn F1-carrière had zeker zo veel beter gekund. Ik was geen wereldkampioen geworden, maar ik had een carrière zoals Barrichello kunnen hebben. Pas in de loop van de jaren zeventig was ik op mijn best, ik heb mijn beste jaren dus aan de sportscars gegeven..."

Bell is vaste gast van Hotel de France. Alleen zijn eerste jaar met Ferrari en zijn jaren voor Renault-Alpine overnachtte hij elders.
En welke kwaliteiten bezit een goede sportscar-coureur dan? "Ze zeggen weleens: nu gaan ze 24 uur voluit, vroeger moesten ze de auto sparen. Maar wij reden óók voluit, alleen binnen de beperkingen die de betrouwbaarheid ons oplegde. En dat is misschien nog wel moeilijker. De bak sparen, op je toeren letten, niet te veel turboboost – en uiteraard voortdurend kijken naar je verbruik, want één rondje extra op een tank is 23 rondjes extra aan het eind, dat zijn twee hele pitstops. Dat spelletje is niets veranderd: daar gaat het nu nog steeds om. En je moest leren dat je een andere auto soms moest laten gaan, want je moet 24 uur. Wie weet had hij net nieuwe banden en was er dus een logische reden dat hij op dát moment sneller was. Maar echt rustiger rijden dan je gewend bent is juist moeilijker dan voluit gaan. Dan raak je met je timing in de war en gaat je concentratie eraan."

Zoon Justin - tegenwoordig werkzaam voor Fox Sports - neemt pa op de foto.
Als hij een speciale teamgenoot moet uitkiezen – "want langeafstandsracen doe je met je teamgenoot" – dan kiest hij Ickx als de perfecte endurance-coureur, maar ook Stefan Bellof. "Het grootste jonge talent met wie ik ook heb gereden. We noemden elkaar 'vader' en 'zoon'. Maar hij was een wild paard dat moest worden beteugeld. Ik moest vaak langzamer rijden om zijn verbruik te compenseren. Vaak was hij niet te houden. Op de Nürburgring ging hij steeds sneller, waarop ik aan het team om een 'Hold'-bord vroeg. Maar het antwoord dat ik kreeg, was: "Is hij niet briljant?" De volgende ronde crashte hij. Dat kostte ons de race."

Bell legt een paar Britse Aston-fans uit waar de pedalen zitten. Fotograaf Martin van der Hulst kijkt ook toe.
De Mirage die op het dorpsplein staat, voelt voor Bell als thuis. "Ik was ook heel blij toen ik er destijds uitstapte! Dus ik blijf goede herinneringen aan deze auto houden." Toch kiest hij de Porsche 962 als zijn favoriete auto. "Met de Mirage, de 936 en de 956 heb ik elk één keer Le Mans, met de 962 twee keer. Het is dus ook mijn succesvolste auto. Maar hij was ook zó makkelijk om te rijden, en de motor was niet kapot te krijgen."

Even waanden we ons in andere tijden.
Porsche-engineer Norbert Singer noemt hij dan ook als het grootste technische genie met wie hij heeft samengewerkt. Toen Bell in 1994 in de Gulf Kremer K8 reed, hielp Singer het team ook op weg. "We hadden last van een enorme vibratie en konden de oorzaak niet vinden. Op een gegeven moment trilden de spiegels er zelfs af. Totdat Norbert zei dat we eens naar een dikkere bodemplaat moesten kijken: 18 mm in plaats van 12 mm. Wij testen op Brno, en ja hoor, dat was 't..."
Hoteleigenaar Martin Overington kwam gisteren met zijn originele 'blower-Bentley' over de weg vanuit Groot-Brittannië, as one does.