Column Rob Kamphues: Teamgenoten voor altijd

Als Peter in zijn eerste ronde al 1:56 rijdt slaat mijn hart een paar slagen sneller. Ik hoop echt dat Peter het heel goed doet, ik heb niks aan een teamgenoot die een paar seconden langzamer is. Maar drietiende van een seconde langzamer, daar zou ik best heel blij mee zijn. Uiteindelijk geeft de stuurbekrachtiging de geest net voor Peter aan een snelle tijd toe is. Maar die twee rondjes is voldoende om Peter weer het gevoel te geven dat GT4 een serieus spelletjes is. Bloedchagrijnig beent hij naar de camper . Sta ik nu te grinniken? Zo kinderachtig ben ik toch zeker niet?

Maar helaas. Zo kinderachtig ben ik wel. De volgende dag rijdt Peter met gemak onder mijn tijd en kom ik niet verder dan 1:53. Op mijn tandvlees. Ik verzin rijen vol excuses, doe alsof ik heel blij ben voor Peter, maar eigenlijk trap ik het liefst zijn helm in het hoekje.
Zo’n klein kind ben ik dus nog. Ik beken het maar eerlijk.
De rest van het weekinde wisselen we stuivertje zoals we het hele vorige seizoen ook hebben gedaan en neemt de spanning in mijn lijf om mijn teamgenoot te verslaan weer normale proporties aan. We zijn allebei redelijk snel, maar te langzaam om de kop van het veld bij te houden. In zijn sprintrace eindigt Peter als vierde achter de tweede BMW van Ekris, in mijn sprintrace kom ik ook niet voorbij de oranje BMW , maar word tweede.

Bij de finish wacht een grote man me juichend op. Peter is bijna nog blijer dan ik. Ik besef me dat ik een nog veel slechtere verliezer ben dan hij. Of hij is een veel betere toneelspeler dan ik, dat kan ook.
Toch eens kijken of ik een sponsor kan vinden voor dat eigen risico van 8000 euro.
