Formule 1

Formule 1: Legendarische teambaas Frank Williams overlijdt op 79-jarige leeftijd

frank-williams

De autosport moet afscheid nemen van een van de giganten uit de geschiedenis van de Formule 1. Vanochtend overleed Sir Frank Williams op 79-jarige leeftijd. Williams bouwde vanuit het niets een renstal op die na jaren van ploeteren opeens een topteam werd, met talloze titels als resultaat. Zelf werd Williams in 1986 door toedoen van een auto-ongeluk in Frankrijk getroffen door een dwarslaesie, maar hij gaf niet op en bleef samen met zijn technische brein Patrick Head het team leiden. Zijn fragiele gezondheid deed hem uiteindelijk de das om, nadat hij eerder al de leiding van het team had afgestaan. In 2020 verkocht de familie het team aan investeringsmaatschappij Dorilton.

Tekst: Mattijs Diepraam
Foto's: Willem J. Staat

Frank Williams was een keiharde doorzetter die aan weerszijden van een ongekende succesperiode tussen pakweg 1979 en 2004 volop ervaring had in het aan elkaar knopen van de eindjes. In de jaren tot aan de oprichting van Williams Grand Prix Engineering vierde hij slechts zeer sporadische successen en moest hij niet zelden zijn auto's aan de hoogste bieder verhuren. En toen BMW in 2005 zijn handen aftrok van Williams, zakte het kampioensteam langzaam maar zeker terug naar de achterhoede waar het zich ooit uit had opgewerkt.
  2021 Williams FW 07

De laatste jaren was de gezondheid van Frank Williams al fragiel. Een gevaarlijke infectie wist hij enkele jaren geleden maar ternauwernood te overleven. Ook mentaal ging hij achteruit, niet geholpen door de dood van zijn vrouw Ginny in 2013, die zijn steun en toeverlaat was. Het respect in het team was echter nog altijd huizenhoog. Toen zijn dochter Claire het team ging leiden, nam ze de titel 'deputy team principal' aan terwijl Williams zelf in naam teambaas bleef. Feitelijk had Claire de leiding over het team. In september 2020 besloot de familie een stap terug te doen en niet langer gehoor te geven aan de halsstarrige wens van Williams om zelfstandig te blijven. De nieuwe eigenaar Dorilton trok onmiddellijk de banden met Mercedes strakker aan, om zo in het nieuwe F1-tijdperk te kunnen blijven overleven.

Williams was de zoon van een RAF-officier en een lerares en werd deels door zijn tante opgevoed nadat zijn ouders waren gescheiden. Op een Schotse kostschool werd zijn liefde voor auto's aangewakkerd, met het resultaat dat hij op zijn 17e schoolverlater werd en allerlei baantjes aannam om een carrière als autocoureur te bekostigen. Op zijn 19e had hij genoeg bij elkaar gespaard voor een Austin A35, waarin hij al gauw een ongeluk kreeg. Hetzelfde lot viel de Austin A40 ten deel die hij daarna kocht. In 1963 zette hij met naamgenoot Jonathan Williams een Formule Junior-team op, maar het was de andere Williams die de coureur werd. Frank Williams mocht sleutelen.

Een jaar later trok hij in bij een groep vrienden die allemaal gek waren van de autosport. Samen met huisgenoot 'Bubbles' Horsley kocht Williams een F3-auto, zodat hij zelf weer kon rijden. Intussen verdiende hij zijn geld als autohandelaar, zoals zoveel jonge coureurs in die tijd. Piers Courage was een van zijn andere huisgenoten – en een stuk getalenteerder dan Williams. Speciaal voor de bierbrouwerstelg zette Williams zijn eerste raceteam op: Frank Williams Racing Cars. In 1967 debuteerde hij als teambaas in de Formule 3, met een Brabham BT21 voor Courage. Een jaar later klom het tweetal op naar de Formule 2, terwijl hij F3-auto's ging inzetten voor Richard Burton en daarna ook Tetsu Izukawa en Tony Trimmer.
  2021 Zandvoort  1981

De sprong naar de Formule 1 volgde in 1969, met opnieuw een Brabham. Courage sleepte met de privé-auto twee tweede plaatsen uit het vuur, een alleszins beloftevolle start voor het nieuwe team, dat zich in 1970 waagde aan een avontuur met de Italiaans-Argentijnse constructeur Alejandro De Tomaso. Die liet een piepjonge Giampaolo Dallara de De Tomaso-Cosworth 505/38 tekenen. Zo goed als in 1969 ging het echter niet, en toen zijn goede vriend op Zandvoort omkwam in een dramatische vuurbal bij Tunnel Oost, dacht Williams zelfs aan stoppen.

Hij deed 't niet. Het seizoen werd afgemaakt met Brian Redman en Tim Schenken, waarna Williams in 1971 voortmodderde met privé-Marches voor Henri Pescarolo en later ook Carlos Pace. In 1972 gaf hij opdracht voor zijn eerste eigen auto, genoemd naar sponsor Politoys, maar ook de FX3 was geen succes. Met de FX3B en daarna de IR's die waren genoemd naar de nieuwe sponsor Iso-Rivolta, ging Williams als teambaas van Iso-Marlboro door, met onder meer een zesde plaats voor Gijs van Lennep in de GP van Nederland van 1973.

In 1974 werden de Iso-Marlboro's omgedoopt in Williams en werden de IR's met terugwerkende kracht hernoemd tot FW01 tot en met FW03, waarna de FW04 als eerste 'echte' Williams-ontwerp volgde. Een tweede plaats van Jacques Laffite op de Nürburgring was een eenzame uitschieter in twee seizoenen waarin de ene na de andere coureur door de draaideur van het Williams-team naar binnen kwam en weer vertrok – totdat de Canadese oliemagnaat Walter Wolf zich voor 1976 inkocht en het team omdoopte in Wolf-Williams. De failliete boedel van Hesketh werd ook nog eens overgenomen (waarbij de 308C werd omgekat tot FW05), maar tot succes leidde het allemaal niet. Een ontevreden Wolf ging ontwerper Harvey Postlethwaite - maar zonder Williams - verder in 1977.
  jones-williams-fw06

Aanvankelijk leek Wolf aan het langste eind te hebben getrokken. Met Jody Scheckter won Wolf meteen zijn debuut-GP als zelfstandig team, terwijl Williams samen met Patrick Head in het Europese seizoen terugkeerde met een privé-March voor de Belg Patrick Neve: terug naar 1971, zo leek 't, met een nieuw opgericht achterhoedeteam: Williams Grand Prix Engineering.

Maar de samenwerking met Head (aanvankelijk de hulp van Postlethwaite) bleek een gouden greep, net als die met een andere vroegere huisgenoot, Charlie Crichton-Stuart, die de Saoedische luchtvaartmaatschappij Saudia als hoofdsponsor binnenhaalde. Met de FW06 van Head en de noeste maar talentvolle Alan Jones (die al belofte had laten zien bij Shadow) werd 1978 het beste Williams-seizoen sinds het debuutjaar met Piers Courage, waarna in 1979 de glorietijd begon. Head bleek met de FW07 het 'ground effect'-succesrecept van de Lotus 79 het beste te hebben begrepen: de auto vanaf de zomer vrijwel onklopbaar. Jones werd wereldkampioen in 1980 en Williams pakte opnieuw de constructeurstitel in 1981, ook al liet Carlos Reutemann op het nippertje de coureurstitel aan Nelson Piquet en Brabham.
  jones-williams-fw07

Met Keke Rosberg als de verrassende maar in karakter vergelijkbare opvolger van Alan Jones volgde in 1982 de tweede rijderstitel, na een gewiekst gereden seizoen waarin de Fin maar één GP won. Een jaar later ging Williams aan de slag met Honda, de eerste succesvolle samenwerking met een grote fabrikant, waarna Renault en BMW zouden volgen. Williams raakte Honda uiteindelijk kwijt aan McLaren (en Lotus), maar niet nadat een lange aanloop met veel geplofte motoren leidde tot twee constructeurstitels in 1986 en '87 en het coureurskampioenschap voor Nelson Piquet in 1987, na een bittere strijd met teamgenoot Nigel Mansell.

Williams had toen al het auto-ongeluk gehad dat hem vanaf zijn middel zou verlammen. In maart 1986, op weg naar het vliegveld na een test op Paul Ricard, sloeg het noodlot toe. Patrick Head nam tijdelijk de teamleiding over, maar een herstelde Williams keerde vastbesloten terug op zijn post. Na een tussenjaar met Judd-motoren wist Williams Renault aan te trekken als de nieuwe motorpartner.
  2021 Williams FW11 1986

Binnen enkele jaren maakte het team een einde aan de hegemonie van McLaren-Honda, met een oppermachtige titel voor Nigel Mansell in 1992 tot gevolg. Typisch voor Williams was dat hij desondanks Alain Prost aantrok in de plaats van Mansell – met opnieuw een dominante titel tot gevolg. In 1994 moest en zou ook die andere oud-McLaren-Honda-coureur in de beste auto van het veld plaatsnemen, maar de Williams-carrière van Ayrton Senna duurde slechts drie races. Dat 'tweede viool' Damon Hill alsnog bijna Michael Schumacher het kampioenschap afhandig maakte, toonde aan over welke veerkracht het team bezat. Hill legde het in 1995 opnieuw af tegen Schumacher, maar daarna gingen de titels opnieuw naar Williams: in 1996 naar Hill, in 1997 naar Jacques Villeneuve.

In de tussentijd was Williams als Renault-partner net zo succesvol in het BTCC: Alain Menu won met een Laguna de titel van 1997, nadat Renault in deze gloriejaren van de Super Touring-categorie eerder ook al de fabrikantentitel had veroverd.
  2021Williams FW 22

Net als eind jaren tachtig moest Williams daarna het F1-stokje overdragen aan McLaren. Niet alleen bleek de combinatie McLaren-Mercedes onnavolgbaar, ook Renault had een stapje teruggedaan, zodat Williams door moest met de herdoopte Mécachrome- en daarna Supertec-krachtbronnen zonder de stevige fabriekssteun van Renault. Het team had desondanks een nieuwe topsamenwerking met BMW in de pijplijn, die al in 1999 werd bekroond met een zege op Le Mans voor de bij Williams ontwikkelde BMW V12 LMR.

Vanaf 2000 zaten BMW-motoren ook in de F1-auto's van Williams – en met Ralf Schumacher en Juan Pablo Montoya brak de laatste grote bloeitijd voor het team aan. GP-zeges zouden er nog ruimschoots volgen, maar titels zaten er niet meer in. Toen BMW ervoor koos om met Sauber verder te gaan als 'fabrieksteam', begon het verval dat niet meer ophield totdat het team de rode lantaarn oppakte die het sinds de jaren zeventig niet meer had gedragen, een toevalstreffer met Pastor Maldonado in 2012 ten spijt.
  2021 Williams FW 28

Er volgde halverwege het vorige decennium nog wel een opleving met Felipe Massa en Valtteri Bottas, dankzij een Mercedes-krachtbron die de concurrentie overklaste, maar in 2018 was het dieptepunt bereikt. Williams had toen allang de dagelijkse leiding overgedragen aan dochter Claire. Toen die het niet kon bolwerken, besloot de familie om het team in de verkoop te doen. Nu de toekomst van het team is veiliggesteld, is de voorzichtige klim naar boven weer begonnen. Of het ooit nog iets zal toevoegen aan de negen kampioenschappen en 114 GP-overwinningen, is desondanks de vraag. Dat doet niets af aan de enorme bijdrage van Frank Williams aan de Formule 1 en aan de autosport in het algemeen. Met hem verliest de sport een van de allergrootsten.
Autosport.nl Hét autosport magazine op Internet