Autosport.nl Hét autosport magazine op Internet
Formule 1

F1: Sir Jack Brabham overleden

spasixhours11-track-sat-21

De auto die het gezicht van de F1 veranderde: de Cooper T40 van Jack Brabham.

Sir Jack Brabham is op 88-jarige leeftijd overleden. De Formule 1 neemt daarmee afscheid van een legende, want de Australiër won niet alleen drie wereldtitels en 30 GP's (waarvan 14 meetellend voor het WK), maar veranderde ook eigenhandig het aangezicht van de sport. Het was immers 'Black Jack' die achter in de garage van John en Charles Cooper in Surbiton op het idee kwam om ook een F1-auto (én een Indy-auto) met middenmotor uit te rusten.

Tekst en foto: Mattijs Diepraam

De nagedachtenis aan Jack Brabham is vooral die van een handige technicus en slimme zakenman die ook nog heel goed kon racen. Het zijn de kwaliteiten waarmee hij drie keer wereldkampioen werd, zijn eigen team begon, het idee van sponsoring bedacht voordat het woord was uitgevonden, een uitstekende handel had met de serieverkoop van zijn auto's en zichzelf regelmatig een technisch voordeel verschafte.

Geen andere meervoudig wereldkampioen drukte immers zo'n eigen stempel op zijn winnende auto's als 'Black Jack'. De Cooper waarmee hij in 1959 en 1960 de titel won, draagt zijn handtekening, want het was Brabham die op het idee kwam om een Cooper T39 'Bobtail', de kleine sportwagen van Cooper, om te bouwen tot een eenzitter die geschikt was voor Formule 1. In 1966 werd Brabham bovendien de eerste man die kampioen werd in een auto die zijn eigen naam droeg, met een motor die hij uit Australië haalde toen de Europese motorfabrikanten niet snel genoeg waren om op de nieuwe 3-literreglementen in te springen.

Brabham begon zijn carrière op de Australische dirt tracks en hillclimbs. Ook daarvoor bouwde hij al zijn eigen auto's, met hulp van jeugdvriend Ron Tauranac, die een belangrijke rol in zijn leven zou blijven spelen. Het ging opeens snel toen hij een Cooper-Bristol F2 naar Australië haalde, die in de kleuren van zijn sponsor Redex schilderde en de 'Redex Special' noemde.

Al snel werd hij de snelste circuitcoureur van het land, maar in Europa was hij nog een volslagen onbekende toen hij begin 1955 – met achterlating van vrouw en kinderen – voet aan land zette in Engeland. Het grenst aan het ongelooflijke dat hij diezelfde zomer al F1-coureur was. De omgebouwde T39 – T40 genaamd – waarmee hij met wat bluf zijn F1-debuut maakte in de Britse GP van 1955 was de aanzet voor een revolutie die zijn weerga niet kende.

Na een jaar in de Formule 2, waarin hij samen met Roy Salvadori voor Cooper successen vierde in de lichtvoetige T43, de eerste afleiding van de T40, stelde Brabham voor om de F2 van Cooper uit te voeren met stapsgewijs zwaardere motoren en in te zetten in de Formule 1. De oorspronkelijke 1.5'jes werden uitgeboord naar 2 liter en met zo'n auto werd Brabham bijna derde in de GP van Monaco van 1957. Het resultaat was er nog niet, maar het potentieel was duidelijk.

In 1958 won Stirling Moss voor het eerst een WK-race in een auto met middenmotor, door in zijn Cooper de Ferrari's en Maserati's voor te blijven – en dat met een 2-liter-motor in een 2.5-liter-formule. Het hek was van de dam. Climax had al een 2.2 toegezegd voor 1958, maar ging nu aan het werk om een echte 2.5 te bouwen. In 1959 en 1960 was de combinatie Brabham en Cooper-Climax vervolgens oppermachtig. Niet alleen werden monoposto's daarna massaal volgens het middenmotorconcept gebouwd, ook geografisch vond er een ommezwaai plaats: de Britse 'garagisten' namen het voortouw in de Formule 1, ten koste van de grote fabrikanten van het Europese vasteland.

In 1961 werd het kleine Cooper echter links en rechts ingehaald. Begin 1962 kondigde Brabham daarom aan dat hij voor zichzelf zou beginnen. Hij haalde zijn oude makker Ron Tauranac naar Europa en begon Motor Racing Developments. De auto's zouden oorspronkelijk MRD heten, maar in Frankrijk werd hem dat ten zeerste afgeraden... Dus gingen de auto's de naam van Brabham dragen; de typenummers die met BT begonnen, verwezen naar Brabham en Tauranac. Ze produceerden niet alleen F1-auto's, maar hadden ook klanten in de F2, Formule Junior en F3. De serieproductie was lucratieve handel in een tijd dat Lotus en Jim Clark domineerden in de F1.

Over Chapman en Clark gesproken: niet zij, maar Jack Brabham en John Cooper waren in 1961 de eersten die Indianapolis liet kennismaken met de 'funny cars' uit Europa. De Australiër ontketende daarmee in Amerika en passant dezelfde revolutie die de Formule 1 een paar jaar eerder al een gedaanteverwisseling had bezorgd. Brabhams negende plaats betekende het begin van het einde van de roadsters op Indy.

Brabham had intussen een stap teruggedaan als coureur. Dan Gurney werd de nummer 1 in het team en behaalde in 1964 de eerste zege voor Brabham als constructeur, terwijl 'Black Jack' de jonge Kiwi Denny Hulme naar Europa haalde als belofte voor de toekomst. In de F2's van Brabham met Honda-motor wonnen Brabham en Hulme alles wat los en vast zat. Maar toen Gurney besloot om zijn teambaas na te doen en voor zichzelf te beginnen (met Eagle), zette Brabham zichzelf weer in de eerste F1-auto, met Hulme als teamgenoot.

In 1966 bleek Brabham een van de weinigen die zich goed hadden voorbereid op de nieuwe 3-liter-formule. Met een degelijke auto van Tauranac en de betrouwbare 3-litermotor van zijn oude vrienden van Repco reed Brabham dominant naar de titel, zeker nadat Ferrari zichzelf in de voet schoot door John Surtees de tent uit te jagen. Een jaar later deed Hulme het nog eens dunnetjes over, voordat Lotus met de Cosworth DFV de doelpalen verplaatste.

Brabham racete door tot en met 1970 en won in dat seizoen nog twee GP's. Daarna gaf hij de teugels over aan Tauranac, die het moeilijk had in zijn enige jaar als Brabham-teambaas. De naam Brabham bleef echter goed voor overwinningen en wereldtitels nadat Bernie Ecclestone in 1972 het team van Tauranac overnam. Tauranac vond daarna zijn bestemming met Ralt, jarenlang een succesvol producent van F2- en F3-auto's.

Brabham werd in 1973 geridderd en genoot daarna van de opkomst van zijn racende zoons Geoff, David en Gary. In 1999 nam hij nog een keer achter het stuur plaats, met potentieel dramatische gevolgen: in de tweede Goodwood Revival nam hij deel aan de Glover Trophy voor 3-liter-F1's toen hij in de chicane werd klemgereden. Het resultaat was een doodenge flikflak, die hij gelukkig zonder één schrammetje overleefde. Brabham maakte vervolgens nog mee dat ook zijn kleinzoons Matthew en Sam in een raceauto kropen.

Volgens een verklaring van de familie is Sir Jack vannacht rustig weggegleden, in zijn huis aan de Australische Gold Coast.

Meer over leven en carrière van Jack Brabham
Reacties
Autosport.nl Hét autosport magazine op Internet