Columns

Column Rob Kamphues: ‘Als Kung Fu Panda dromen van racesucces’


Eigenhandig ben ik de onderdelen gaan regelen bij de concurrentie: Team Ekris. Dat ging als volgt. ‘Mannen hebben jullie reserveonderdelen voor een BMW M3?’
‘Wat moet je hebben?’
‘Van alles: een nieuwe spoiler, een teamgenoot met hersens, maar vooral een leiding voor de stuurbekrachtiging.’
‘Nee, die hebben wij ook niet.’
Ik geloofde er geen snars van.
‘Kom op mannen, jullie strijden om het kampioenschap, je maakt mij niet wijs dat jullie uitgeschakeld zijn als jullie zoiets overkomt.’
Gegrijns, quasi-onschuldige gezichten en dan: ‘Nou ja, meneer Van Ekris rijdt in een splinternieuwe M3 coupé. Dus als we echt grote schade zouden rijden, dan zouden we het van zijn auto afhalen.’
Ik grijns. De monteurs raden mijn gedachten.
‘Oh nee Kamphues, daar komt helemaal niks van in!’
Maar meneer Van Ekris, Dick voor intimi, Reddende Engel voor anderen, De Messias voor mij, knikt lachend en zegt: ‘Zelf ophalen achter de tribune, zelf eraf slopen en voor zes uur er weer op, want ik moet er nog mee terug naar huis.’
Hulde voor Ekris, hulde voor Dick, Dick for president, koopt allen een BMW, Volvo of Hyundai, als het maar bij Ekris is.

480_gt4_r1_kamphues

Zo kwam ik toch nog aan racen toe. Sterker nog, gebrand om het seizoen goed af te sluiten reed ik in de kwalificatie 1:50.2, een fractie langzamer dan de nummer twee bij de Legends en een volle seconde sneller dan de mannen achter me. En ook nog eens op bandjes waar het beste al vanaf was, want tja, voor het eerst op nieuwe banden, dat kon Robby Kamphues natuurlijk niet in één keer.

Kortom, ik rook het podium al, ik proefde de felicitatiekussen van de gridgirls op mijn lippen, de champagne druppelde al in mijn kraag. Maar helaas, ook dit plezier werd me niet gegund. Na twee ronden, vanaf plek twee in mijn klasse en met latere racewinnaar Allard Kalff voor mijn snufferd, begon de auto een volstrekt eigen leven te leiden. Hij schoof alle kanten op behalve de goede. Het zal er wel weer hebben uitgezien alsof er een mongool achter het stuur zat, maar ik wist met de wagen werkelijk geen raad. Als roofvogels op een arm muisje, zo stortte de concurrentie zich op mij. In vijf ronden gingen vijf auto’s me voorbij alsof ik stilstond; binnendoor, buitenom, achterlangs, erop en er overheen. Vernederend was het. En omdat Christiaan een tijdstraf kreeg die zijn kampioenschapskansen om zeep hielp en iedereen bij PS begrijpelijkerwijs zich daar heel druk over maakte, ben ik maar stilletjes naar het hotel geslopen.

Gelukkig was er Kung Fu Panda op tv, je weet wel die tekenfilm over die dikke beer die ervan droomt dat hij met de echte Kung Fu masters mee mag doen, maar in zijn gezicht wordt uitgelachen. Daar had ik een beetje steun aan; ik ben tenminste niet de enige loser op de wereld.

Halverwege de film kwam het verlossende telefoontje van de teambaas. ‘Roab, we habben antdekt wat er mis was met de oetoe: allebie de motorstunen zien gebroken.’
‘Peter dat is geweldig nieuws. Dus hij komt weer helemaal goed?’
‘Helemaaol. Morgen is hij weer in orde zodat ik er fijn mee kan rijden in mijn sprintrace.’

De gedachte dat Peter weer als eerste in zou stappen had me wakker moeten schudden, maar die nacht droomde ik opgelucht van een dikke pandabeer achter het stuur van een M3 die een glorieuze opmars vanuit het achterveld maakte.

Maar alweer helaas, ook zover kwam het niet. In de eerste bocht van de eerste ronde van zijn sprintrace kon Peter een spinnende auto niet meer ontwijken en reed hij de reserveonderdelen van meneer Van Ekris er net zo makkelijk af als ze er waren opgezet. Ik roep nu even heel hard: ’Hier kon hij niks aan doen,’ want dat was ook zo. Zelfs Ferdinand Kool knalde er bovenop. Kortom; twee auto’s uit de strijd voordat er nog maar een ronde gereden was. Erger; de reserveonderdelen waren nu echt op, de auto was nu echt te krom om nog mee door te rijden en meneer Van Ekris stond nog ergens op de trein te wachten. Peter en ik moesten de hoofdrace vanaf de kant gadeslaan om met eigen ogen te zien hoe onze teamgenoten ook bij de pro’s het kampioenschap aan hun neus voorbij zagen gaan. Een droeviger slot van het seizoen is niet denkbaar.

Wat ik wel vanaf de zijlijn goed kon zien, is hoe verschrikkelijke hard het gaat en hoe mooi de auto’s zijn. De Porsches, de Corvettes, BMW’s, Camaro’s, Mustangs en die ene Aston Martin en die ene kleine Ginetta. Ineens realiseerde ik me trots dat ik deel uitmaakte van dit selecte gezelschap en hoe ontzettend graag ik er het volgende seizoen weer bij wil zijn. Want het Dutch GT4 dat is echt een vet kampioenschap.
Op voorwaarde natuurlijk dat ik elke vrije training als eerste rij.

logos_kamphues

Autosport.nl Hét autosport magazine op Internet